Bij een sluitende aanpak van kindermishandeling werken meerdere instanties samen rond kind en gezin. Snelle procedures, soepele communicatie, heldere verantwoordelijkheden en gezamenlijke inzet van expertise zijn cruciaal. Hiervoor is het noodzakelijk dat professionals en vrijwilligers weten hoe te handelen bij (vermoedens van) mishandeling én wie zij daarbij op welk moment kunnen inschakelen. Binnen het kader van de landelijke invoering van de regionale aanpak kindermishandeling wordt daarom een regionaal handelingsprotocol opgesteld en regionaal ingevoerd. Het regionaal handelingsprotocol biedt hen hierbij houvast.
Aansluiten bij bestaande richtlijnen
Een regionaal handelingsprotocol beschrijft de werkwijze van professionals in de regio inzake signalering, gestructureerd beslissen, de samenwerking rond gezinnen en de inzet van snelle en passende zorg en bescherming ingeval er sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling. Het protocol sluit aan op of is geïntegreerd met de meldcodes en richtlijnen van de betrokken beroepsgroepen.
Verschillende sectoren en beroepsgroepen ontwikkelden al een eigen meldcode, richtlijn of standaard. Deze meldcodes worden in de praktijk nog niet overal gehanteerd. Andere sectoren en beroepsgroepen kennen nog geen eigen code. Het feit dat een meldcode of handelingsprotocol is ontwikkeld voor een bepaalde beroepsgroep zegt nog niets over de mate waarin deze bekend en gebruikt wordt. Het programmaministerie heeft begin 2008 een onderzoek ingesteld naar de mate waarin de meldcode is ingevoerd, bekend is bij beroepskrachten en professionals en gebruikt wordt. Daaruit bleek dat die bekendheid nog zeer te wensen overlaat.
Regionale versie op basis van landelijk model
Het NJi zal, met een groep van (praktijk-)deskundigen, een model handelingsprotocol ontwikkelen. De regio’s kunnen dit model gebruiken om hun eigen protocol op te stellen. De regionale werkwijze die voortvloeit uit het protocol moet aantoonbaar tot snellere en betere acties leiden op het moment dat er zorgen over kinderen ontstaan of er al vermoedens van kindermishandeling zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de regionale protocollen binnen de individuele instellingen worden aangevuld met de concrete namen en telefoonnummers waar de eigen medewerkers terecht kunnen.
Bij het uitwerken en invoeren van hun regionale handelingsprotocol richten de regiocoördinatoren zich in de eerste plaats op de professionals. Professionals uit verschillende instellingen in de regio wordt gevraagd actief mee te werken aan het opstellen van de regionale afspraken. Professionals toetsen de afspraken in de praktijk. Zij gaan na of de afspraken leiden tot snellere en betere zorg voor kinderen en gezinnen. Waarnodig worden de afspraken bijgesteld, net zo lang tot de beoogde sluitende aanpak daadwerkelijk is gerealiseerd. De praktijktoets vindt op kleine schaal plaats, alleen getoetste afspraken worden regionaal verspreid.
Invoering en toezicht
Bestuurders van de betrokken instanties wordt gevraagd de professionals de ruimte te geven om tot - tot dan toe wellicht ongebruikelijke - samenwerkingsafspraken te komen. Afspraken die totaantoonbare positieve resultaten leiden worden dor de bestuurders bekrachtigd in het regionale handelingsprotocol.
Het NJi begeleidt de regiocoördinatoren bij het vervullen van hun rol. De coördinatoren worden toegerust met implementatiestrategieën voor een regionale invoering van de protocollen.
Het ministerie voor Jeugd en Gezin zal de betrokken sectoren en beroepsgroepen actief stimuleren om het gebruik van het regionale handelingsprotocol en de eigen meldcode vast te leggen in hun kwaliteitscriteria. Inspecties kunnen vervolgens toezien op het gebruik van handelingsprotocollen en meldcodes.
Meer informatie
Lees ook eens het volgende artikel uit Jeugd en Co, jaargang 2, nummer 7, pagina 32-33, 2008:
Meldcode steunt beroepskracht bij aanpak kindermishandeling
(pdf, uitleg)